Vechten, of vriendelijker gezegd stoeien en worstelen, is onverminderd populair bij jongens. Bij iedere uitgelokte gelegenheid rollen ze met elkaar door het gras. Dus is dit de basis van menig spel.

"Plezier, vechten en eten! Dat zijn de de drie onmisbare elementen in de jongenswereld."
(Casson, aangehaald door Baden-Powell in Aids to Scoutmastership)



Met de eigen troepen

 
"Maar, daar kreeg de schipper een briefje van Akela Van der Bent, of hij even 2 jongens wou sturen, om ergens mee te helpen. Gerrit en Johan gingen er naar toe. Maar zij kwamen niet weerom. We waren al bijna begonnen en daar kreeg de schipper weer een briefje, dat was zogenaamd van de Abel Tasmantroep (wij wisten wel beter). Daar stond in dat men twee spionnen had gevangen genomen en of we nu maar f 0,50 losgeld neer zouden leggen onder een steen bij de schoorsteen van de Dorus Rijkersbunker. We zouden eerst eens gaan kijken of ze ergens anders waren. Maar nergens zagen we een spoor van Gerrit of Bol Raap. De Rijke Dorussen stonden erg nieuwsgierig aan de deur van de bunker (vechtklaar). Kees van Beelen en Jan van Ree zouden even in de bunker bij de Rijke Dorussen gaan kijken, maar ze werden er wel ingelaten, maar niet meer eruit.
Toen kwam stuurman Pluimgraaf eens bij ons kijken maar hij was nog niet goed in onze bunker of ook hij werd door ons krijgsgevangen gemaakt. Eerst wou hij beslist niet zeggen waar Gerrit en Bol Raap waren. Maar toen hebben we hem zolang gekieteld tot hij het zei. We legden hem languit op tafel, één hield zijn benen vast, één zijn armen. Terwijl kietelde de schipper hem, dat hij lag te kraaien van de pret. Hij liep zowaar blauw aan. We zeiden hem dat als hij loog, hij met zijn achterwerk op de kachel werd gezet. Dan zouden we hem net zolang laten sudderen, tot hij het goed zei. Toen werd hij zo naar van het lachen dat hij het zei. We hebben hem echter niet vrijgelaten.

Toen gingen we allemaal naar de Dorus bunker om een aanval te doen. Nu we hebben een hele tijd staan knokken maar werden niet veel wijzer. Wel maakten we nog twee gevangenen, waaronder Feiko Kalsbeek. O ja op het briefje dat we van ze kregen stond ook nog dat schipper Parrel niet mee mocht doen. Enfin Feiko Kalsbeek was uitgegaan om zijn stuurman te bevrijden die nog steeds in de bunker opgesloten zat. De schipper had Feiko allang in de gaten en hij verstopte zich. Feiko sloop de bunker in, zag de schipper niet, haalde Pluimgraaf uit zijn hok en kwam met een heel genoeglijk gezicht niet naar buiten! De schipper had namelijk het hok achter Feiko op slot gedaan. Maar nu is het geval dat op onze bunker een betonnen plaat lag, daar was Kees Plas op gaan staan. Ineens wipte het luik omhoog, met Kees Plas en al, en Feiko kroop eruit, Hij liep echter vlug weg, want Kees Plas gaf een schreeuw naar de schipper, die vlug aan kwam lopen. Zodoende kon Pluimgraaf dus niet meer ontsnappen.
Daarna gingen we een paar emmers water in de schoorsteen gooien bij de Dorussen. Het rookt ontzettend in hun bunker en het gelukte ons de luchthappers een aardige slag toe te brengen. Even later kwam Opper-Dorus Haasnoot de vrede aanbieden. Hij liep met tranen in zijn ogen van de rook van de bunkervernieling? Daarna hebben we plechtig de gevangene uitgeleverd" (1950, logboek Zeehonden, P. Zweers)

"Enfin, we goten water in de schoorsteen, sloten 'm af, bezetten de deur van 't troephuis, trokken terug en kwamen er tenslotte door een list met z'n tweeen in. Met een bliksemvaart schoten we tot achter in 't troephuis, waar Johan op een tafel lag vastgebonden. De kalk viel van de muren, toen we eenmaal goed bezig waren. 't Was maar goed dat er iemand floot, want we konden niet meer. Verfomfaaid en gedeukt gingen we ons weegs; voor we sloten, zwoeren we revanche te zullen nemen." (Julianalogboek, dec 1949)

De aanstichters schreven neutraler over dit voorval:
"Er heerst een grote spanning in het troephuis: men is van plan twee knapen te kidnappen van de Julianagroep. 't Wordt inderdaad zeer spannend en er wordt aardig gevochten. Op het laatst wordt ontdekt, wie de werkelijke daders van de overval zijn. Onze schoorsteen komt onder water, de pijp wordt geroofd, de stuurman wordt gevangen; Feiko, deze ontsnapt weer, weet langs een omweg binnen te dringen, enfin . . . . Met een witte vlag wordt tot vrede besloten en 't eind is er. 't Was spannend en stoffig" (Logboek Dorus Rijkers, Leen Haasnoot)

Volgens de logboeken kwam het wel vaker voor: een schipper van een andere troep werd met een list in een hinderlaag gelokt en vastgehouden. De troep moest hem zien te bevrijden. Dit ging heftig, maar gemoedelijk en was alleen mogelijk in de periode dat de troepen (en vooral de schippers) op vriendschappelijke voet met elkaar stonden. En natuurlijk in de bunker-periode waar de duinen en ingewikkelde bunkers alle mogelijkheden boden voor verbergen, sluipen en vechten.
De leiders gaf ook alle aanleiding:
"Schipper Haasnoot kwam voorbij en ik vertrouwde hem niet erg. Hij pakte ineens een jongen zijn pet en liep hard weg. Ik liep hem direct achterna en nog meer jongens deden zo. Ik zag, dat Schipper Haasnoot de pet ergens neerlegde, zodat ik hem weer gauw aan de rechtmatige eigenaar terugbezorgde." (logboek Eksters, Neptunusgroep, 1946, Jan Bloot)
"Woensdag was ik naar stuurman Planje geweest, die me vertelde dat er vandaag een gezamenlijke oorlogsverklaring van alle groepen aan de groep van schipper Vink aangeboden zou worden. Dit gebeurde omdat vorige week zaterdag zijn stuurman Otto (de Schaduw) met zijn consorten stelselmatig de jongens van de groep van schipper Haasnoot overmeesterd en opgesloten had. Toen de gehele staf verzameld was, legde schipper Haasnoot uit, hoe de oorlogsverklaring zou geschieden. Schipper Hoogewoning zou schipper Vink halen en geblinddoekt in het hoofdkwartier brengen, waar hem de oorlogsverklaring overhandigd zou worden. Er zou gevochten worden aan de andere kant van het fietspad. Oorlog, waarin veel bloed-... en leverworst zou vloeien!
...
Toen zag ik een heleboel jongens om een gevangene heendringen. Ik keek en herkende stuurman Otto, die nogal toegetakeld was. Hij was aan handen en voeten gebonden. Omdat hij zo zwaar was werd hij meer langs de grond gesleept, dan gedragen. Gerrit Schaap konden ze zo ook de helling niet opkrijgen. Maar toen kwam stuurman Haasnoot, legde Gerrit op zijn schouders en daar ging meneer.
Nu werd stuurman Otto voor de rechtbank geleid. Na veel gepraat werd hij door schipper Hogewoning veroordeeld tot "10x orenrollen" en schipper Hoogewoning wilde het juist toedienen, toen andere leden van de staf "nee" riepen, omdat stuurman Otto een paar wondjes aan zijn oor had. Hiermee werden maar meteen alle gevangenen vrijgelaten en gingen we allemaal naar ons eigen troephuis. Daar werd gedankt en gingen we op de gebruikelijke manier huiswaarts.
Toen ik zondag hierop de beide Planjes ontmoetten, vonden we toch dat het een te ruw spel was geweest, dat toch niet bij padvinders paste. Andere stuurlui en schippers dachten er anders over. Onze Sinterklaasmiddag is door het spel in de soep gevallen." (logboek Eksters, Neptunusgroep, 1945, Jan Bloot)



Met andere troepen

Hetzelfde gebeurde ook met buur-troepen tijdens zomerkampen, vooral bij Nationale Waterkampen. Beroemd en later berucht was het spel van de bloed- of kapervlag, waarmee een troep aangaf dat zij klaar waren voor een poging van anderen om die vlag te veroveren. Een enthousiaste schipper schrijft in het landelijk leidersblad:

"Ja broeders-zeeverkenners; ik zou er een lans voor willen breken. Ondanks dat het ook wel eens aanleiding heeft gegeven tot minder aangename "incidenten", zouden we kunnen zeggen.
...
En is het nu wel verstandig om aan zulke 'oorlogszuchtige' neigingen toe te geven? Och, in nagenoeg elk spel wordt in meerdere of minder mate gestreden om een trofee, de eer of anderszins. Ook vroeger kenden we kampovervallen, enz. waarbij eventueel tenten werden neergelaten.
..
Zo'n bloedvlag wordt gevoerd aan de vlaggemast en is zonder meer een uitdaging aan iedere zeeverkennersgroep, zo van "zie je, wij hebben een bloedvlag, durf er eens aan te komen. En als jullie er ook één hebben komen we hem halen". Met zo'n bloedvlag zitten we er meteen helemaal in. Daar hebben ze ALLES voor over. Het is hetzelfde effect als een rode lap voor een stier. Och, als u weleens de bloedvlag gevoerd heeft, wilt u hem nooit meer missen! U niet en de jongens helemaal niet. Ze hebben er werkelijk alles voor over. Want ze lopen dag en nacht voor wacht. Behalve glazen slaan behoort de wacht een wachtlogboek bij te houden.
...
Geen gesleep met boten, knakken van masten of neerhalen van tenten, want hierdoor wekt u wraakgevoelens op. Steeds fair-play! De leiding behoort passief te blijven. Wel adviezen maar niet vechten! Van te voren afspreken met de andere staf is niet nodig. Men weet als men de bloedvlag ziet dat men klaar is om te vechten. Na een strijd géén vernederende afspraken. Een groepsdas is een heilig bezit voor de jongens. Deze wordt dus niet afgegeven en er wordt dus óók géén stuk uitgeknipt. Laat nooit een gevecht eindigen zonder verbroedering.
Als u zó het spel van de bloedvlag speelt dan voorspel ik u: u zult nooit meer anders willen." (Leidersblad Weest Paraat ~1955)
Dat waren de Katwijkers wel met hem eens:
"Om half twaalf gingen wij ons verzamelen in de Abel Tasman tent. En daarna gingen we met z'n vijven op pad. Naast ons terrein lag de "S.B.N. Doorman" uit Noordwijk Hoehh!!! (Hope wind en berge water in de watering!!). Daar hadden we de bloedvlag gezien. Helaas konden we die niet vinden. Maar bij de vlaggemast hing wel een grote scheepsbel. Die hebben we gepikt en zijn naar een ander eiland gegaan om te proberen die bel aan een koe te binden. Maar het was wel te verwachten, de koeien sloegen op hol en renden een ander kampterrein binnen. De gevolgen bleven natuurlijk niet uit daar. Wij vonden het geraden nu maar gauw naar het kamp te gaan voordat we de hele troep op ons lijf kregen." (logboek Stormvogels 1961, Gerrit Kruyt)

"We werden om half één met ons drieën gewekt door de Noordwijkers die de Haagse Waterscouts had ontdekt op ons eiland. Het liep natuurlijk op een grote knokpartij uit. Na dit gebeuren gingen we bij de Noordwijkers koffie drinken met nog een paar Utrechters en Rotterdammers. Het werd een dolle avond met gitaars enz. Om half vier gingen we naar bed."  (logboek Stormvogels 1961, Gerrit Kruyt)

Dit noodzaakte sommige troepen om een prikkeldraadversperring mee te nemen, zoals de Amsterdamse buren in Vinkeveen in 1956. Of dit een algemene voorzorgsmaatregel was of speciaal tegen de Katwijkers wordt uit het logboek niet duidelijk. Voor hun reputatie hebben de Katwijkers het in latere verhalen maar op het laatste gehouden.

Het is duidelijk dat deze acties al snel uit de hand konden lopen. De bloedvlag werd door Scouting verboden en de uitwassen onderdrukt.
 


Serieuze gevechten

Maar er waren soms ook serieuze gevechten:

"Na enige tijd echter werden we gewaarschuwd dat er ongewenste gasten op het terrein waren, waar hevig mee gevochten werd. We hebben ingegrepen en na een stevige kloppartij ze van het terrein geschopt en ze aan de politie overgeleverd. Messen, lantarens en ijzerzagen werden in beslag genomen." (Julianalogboek 1959, John Basters)



Avondspel

Avondspelen vonden altijd plaats in de duinen en waren dus alleen mogelijk in de tijd van de bunkers en de jaren daarna, waarin de duinen nog vrij waren en de zeereep rondom de Witte bunker gepacht werd.

" 's Avonds een avondspel. Het was bij het hoge duin met het paaltje. 5 jongens moesten over het duin zien te komen en de rest van de troep moest ze zien te pakken en boeien. Het was een lichte avond en je kon elkaar op 100 m afstand nog zien. Maar toch heb ik bijna m'n nek gebroken over een "stelletje". Die lui hadden zo'n verdraaide schutkleur. We waren allemaal geradbraakt en zeiden: nooit geen avondspel meer. Maar we zullen zien" (logboek Spechten 1952, P. van Duyvenbode)

"Er was 's avonds een avondspel. Het ging er ruw aan toe. De heer M. de Vreugd had geen broek aan zijn ... (mag ik niet zeggen). Er waren heel wat blauwe ogen en schrammen te bewonderen."  (enkele weken later, logboek Spechten, P. van Duyvenbode)

"Mannen, jullie zijn aangewezen een zeer belangrijk vat met inhoud te bewaken. De plaats zal door een contactman van het hoofdkwartier aangewezen worden. Ga in een zeer grote cirkel om het vat heen liggen (gecamoufleerd) en laat eventuele indringers eerst zonder dat zij het merken binnen deze cirkel komen. Overmeester ze dan en stel ze buiten gevecht. Kun je de situatie niet meer houden, breng dan het vat in veiligheid. Dit kun je doen door het af te geven aan onze hoofd-contactman, herkenbaar aan het groene licht. Om het vat veilig bij het groene licht te brengen zul je je vechtende een weg moeten banen over een afstand van enkele honderden meters. Let goed op de duintoppen die gelegen zijn in de omgeving van het draaihek; boven op één ervan staat onze groene-licht man. Waarschuwing: Kom in het begin niet te dicht bij het vat: het is ondermijnd. Succes!!!. Hoogachtend, Chef afd. Bewakingsdienst" (logboek Valken, 1969)

En dus werd het vechten. Iets anders kon ook moeilijk in het donker. Zelfs het meest simpele spel mislukte omdat niemand iets zag, geen lamp op het duin, aanvallers en verdedigers misten elkaar in het donker. Dus meestal was het: sluipen, zoeken tot je de anderen vond en vechten. En natuurlijk diegene proberen te vinden met wie je je krachten eens wilde meten. Daarna opgewonden, moe, en met benen vol stekels naar huis.

De spelen in de zeereep waren eenvoudiger: gewoon van A naar B en ondersom en weer vechten. Maar de sfeer daar boven, tussen het donkere helm en de ruisende zee op de achtergrond was altijd bijzonder.

En soms was het gewoon spannend:

" 's Avonds om 7.30 vertrokken we naar de loopgravenduin. Stuurman Van Beelen en K.v.P. zetten daar 35 doodshoofden uit. Dit moesten slapende marsmannen voorstellen. Stuurman en K. v.d. P. waren de wakers, die de troep moesten aanvallen. We beklommen de loopgravenduin. Het was aardedonker en de zaklantaren-stralen van de wakers scheerden over ons heen.  Dan grijnst een glinsterend hoofd je aan. Een marsman! Grisweg en verder op handen en voeten door het natte gras en duindoorn. Een lichtbundel wordt op je gericht. Gezien! Je holt weg, smakt neer, springt op ... doe 5 sprongen ... smak weer neer. Snelle marsmanvoeten bijgelicht door een felle lichtbundel achtervolgen je. Zonder licht hol je in het wilde weg. Val, sla over de kop. Krabbel op. Te laat. Een hand legt zich op je schouder. Je leven ... kraakt een stem. Je geeft hem een kartonnetje: 2 punten ... Jezelf uitscheldend loop je terug naar de voet van het duin. Begin opnieuw. Sluip weer naar boven. Je komt weer in het slapende marsmannengebied. Dan ... plotseling ... taaa - baaa- baaa -baaa. Einde. Nu al ... We komen bij elkaar. Iedereen heeft spannende verhalen." (1954, logboek Stormvogels, Hugo s' Jacob)


Tegenwoordig is het vechten nog verder teruggedrongen. Rugby wordt nog maar weinig gespeeld. Regelmatig speelt de wacht ook tegen de leiding in plaats van tegen elkaar. Er wordt wel regelmatig vlaggenroof en Hollandse Leeuw gespeeld. (2 schippers)