Het uniform
 

"Vaak heb ik gezegd: het kan me niet schelen of een verkenner een uniform draagt of niet, als hij er maar met hart en ziel bij is en de Padvinderswet naleeft.
Maar elke verkenner zal het uniform willen dragen als hij er een kan kopen." (Aids for Scoutmasters, Baden-Powell) 

"Voor de jongen is een uniform een grote attractie. En wanneer het de kleding is, zoals een woudloper die draagt, geeft het hem het idee direct verbonden te zijn met de pioniers, die helden voor hem zijn. Het uniform maakt ook een broederschap. Omdat iedereen het gebruikt, bedekt het alle verschillen van klasse en landstreek."  (Lessons from the Varsity of Life, Baden-Powell)
Het uniform was al vanaf het begin van Scouting het meest de aandacht trekkende kenmerk, met ook kritiek. Eigenlijk vinden jongens het wel mooi, want het is nogal macho. Alles wat een jongen wil worden als hij klein is, draagt een uniform. Maar ze zijn ook bang om af te wijken van de strikte kledingnormen van de jeugd en in een uniform val je wel op. Een uniform pretendeert ook macht (dat is het aantrekkelijke) en als je meer suggereert dan je kunt waarmaken, roep je al snel het oordeel "Padvinderij, opschepperij" over je af.
Opening bunkers: "6.45 Mars door het dorp. Katwijk ziet nu eindelijk eens wat de Padvinderij is. Het karakteristieke scheldwoord Padvinderij opschepperij heb ik niet één keer gehoord, zo beduusd waren allen. 't Is te hopen dat ook de algemene gedachte in Katwijk over de padvinderij eens veranderd, hoewel het niet gemakkelijk zal zijn." (Logboek Juliana 1946, schipper Jan Vink)
Het uniform was dus ook vroeger wel eens een probleem:
Op 3 mei: Padvindersdefile voor Prins Bernard te Den Haag. . . . "Het blijkt dat geen enkele troep een volledig geüniformeerde bak kan leveren. Huib verzucht, dat het hopeloos is met de uniformen in Katwijk. We zullen er nog eens achterheen zitten. Sommigen hebben het wel, maar trekken het niet aan." (groepsraad april 1947)

"Er zal voortaan weer strak op het uniform gelet worden. De regel wordt of volledig uniform of volledig in burger. Het ligt in de bedoeling om na een soepele aanloopperiode de jongens er weer aan te laten wennen dat ze naar huis gestuurd worden om hun kleding in orde te maken, als ze op de troepbijeenkomst niet juist gekleed zijn." (Kampschrift 1962, Niek Ravensbergen)

Leiders werden geacht minder om al die versiering te geven, dus die droegen alleen das, verkennerinsigne, (boot)machtigingen en linten. Die overgang ging soms met enig ceremonieel gepaard.
"Op 23 maart 's avonds zijn we gemaskerd bij Han van der Maaden geweest, die we vanwege zijn leeftijd van 18 jaar ontgroenen, dat wil zeggen zijn padvinderstrui wordt ontroofd van alle verkenners-attributen. Veel blijft er niet over." (logboek Dorus Rijkers 1951, Leen Haasnoot)
Tegenwoordig laat men als leider vaak alle onderscheidingen zitten, inclusief opperbootsstrepen of 3e klas insigne.

In de pacifistische jaren zeventig en had het toch wel militaristisch ogende uniform het zwaar te verduren vanuit de verkennerij zelf en kwam steeds weer de vraag naar boven: wel of geen uniform. Daarom is het opvallend dat het uniform tot op heden in gebruik is gebleven. Gezien bepaalde reserves tegen het uniform is het wel opvallend dat bij Scouting het uniform steeds opzichtiger werd. Blouses in knallende kleuren met steeds meer en groter insignes in weer afwijkende kleuren. Het is veel bonter geworden dan het originele uniform, dat ooit bedoeld was om onopvallend door het bos te sluipen.
 
 
Het zeeverkennersuniform tot eind jaren zestig

- Matrozenmuts, met wit overtrek van 23 april tot en met 21 september.
- Blauwe trui, die over de broek wordt gedragen. Op de trui worden alle insignes, linten en dergelijke genaaid.
- 's Zomers bij mooi waar kan de hele troep in plaats van de trui een donkerblauw hemd met korte mouwen dragen.
- Op kamp of bij sport is een frokje mogelijk: een wit hemd met korte mouwen en blauw afgebiesd aan de hals en mouwen.
- Op de linkerzijde op de inzet van de mouw vier baklinten, op de rechtermouw het groepnaambandje.
- Halsdoek in de kleur van de groep.
- Zwarte leren riem met zwarte gesp (met verkenners-embleem) over de trui.
- Blauwe lange kousen met groene kousebanden.
- Korte donkerblauwe broek. Bij slecht of koud weer kan tijdens boottochten een lange broek gedragen worden, maar nooit aan de wal of onder normale omstandigheden.
- Bij voorkeur zwarte schoenen of witte gymschoenen.
- Een wit meskoord kan worden gedragen, maar voor de hele troep gelijk.
- Een kwartiermeester draagt een verticaal bandje, 12,5 cm lang en 1,25 cm breed, rechts van het verkennerinsigne.
- Een bootsman draagt twee verticale bandjes aan weerszijden van het verkennerinsigne en een pijlpunt in goud op blauw mutsinsigne (in burger een zilveren pijlpunt als knoopsgatinsigne !).
- Een opperbootsman draagt een derde verticaal bandje onder het verkennerinsigne en de schouderlinten van zijn laatste bak.
- Werkkleding liefst een blauwe overal.
- De zeiljopper als overkleding. Bij regenweer zwart oliegoed.

(Het water op, Handboek voor Zeeverkenners, ~1958)

Het landverkennersuniform
Het eerste landverkennersuniform is grotendeels overgenomen van de South African Constabulary. Dit was een nieuw, door Baden-Powell opgezet, semi-militair politiecorps dat na de Boerenoorlog de orde moest handhaven in de voormalige Boeren-republieken. Het uniform voor dit korps stelde hij zelf samen, vooral voor een meer praktische bruikbaarheid dan een legeruniform. Toch was men in het traditionele leger niet altijd gelukkig met zijn aparte keuzes. Onderdelen hiervan waren een kaki bloes en korte broek (tot de knieen), een halsdoek en de beroemde (Stentson)hoed met brede harde rand en vier deuken.
 

De blouse
Afwijkend van het landverkennersuniform droegen de zeeverkenners een dunne trui, waar alle onderscheidingen  op genaaid waren. Dat was niet altijd praktisch want daardoor ging alles mee in de was, waardoor bijvoorbeeld de wollen bakslinten steeds meer verpieterden. Eind zestiger jaren ging men over op een uniformblouse met epauletten, dat tot op heden vrijwel onveranderd is.
De mouwen moesten altijd opgerold zijn en wel naar binnen. Dit is vermoedelijk afkomstig van de landverkenners waar de normaal opgerolde mouwen vuil verzamelen en waar in het struikgewas takken in blijven hangen. Bij de Dorus Rijkerstroep is dit tot eind zeventiger jaren de traditie gebleven.
 

De korte broek
Het meest kenmerkende onderdeel van het uniform was de korte broek, die het hele jaar gedragen moest worden. Alleen in de boot bij koud weer was een lange broek toegestaan. In Katwijk was de korte broek niet echt populair: "Gerrit stelt afzaagdienst voor van lange pijpen." (Groepraad 1948)

Het was niet altijd een officiële broek, want op oude foto's zie je alle mogelijke modellen. In de beginperiode was de broek niet echt kort: tot bijna aan de knie. Daaronder moesten lange wollen kousen gedragen worden, bovenaan omgeslagen met elastieke sokophouders met groene linten. Erg veel bloot been bleef er dan niet over. In de zestiger jaren werd de korte broek met de mode korter en had men een officiële uniformbroek van dikke blauwe corduroy. Op een zonnig zomerkamp resulteerde dit al snel in rood verbrandde benen, "vuur in de broek" genaamd.

Op den duur ging de korte broek er in de mode helemaal uit. Men vond het ook te koud in de winter (waar blijkbaar vrouwen en voetballers minder moeite mee hebben). Toen begin zeventiger jaren de Scoutshop deze niet meer leverde, moesten ook de laatste gebruikers (Dorus Rijkers) ermee stoppen. Toch was een lange broek op een zomerkamp wel erg warm, zodat men zijn toevlucht zocht tot gymnastiekbroekjes. Tegenwoordig zijn korte broeken weer in de mode (als het warm is), in de modellen die tientallen jaren geleden gebruikelijk waren. Maar net als de lange broek is het geen onderdeel meer van het uniform.
 

De riem
Verkenners hadden een speciale scoutingriem met handige klik-sluiting, die ook kon worden gebruikt om doppen van flessen te wippen. Hij werd over de oude trui gedragen en het mes en de fluit hingen hieraan. Bij landverkenners werd er in ieder zomerkamp bij het kampvuur een stempeltje ingebrand (of in de leren rand van de hoed).
Bij de blouse zat de riem gewoon op de broek, maar omdat de strakke spijkerbroeken in de zestiger jaren geen riem meer nodig hadden, verdween de hij.
 

De tok
De tok is afkomstig van de marine. Vroeger droegen jongens buiten Scouting een pet, dus werd ook de tok de hele dag gedragen. De tok had een witte overtrek die alleen in de zomer werd gedragen. In de winter was de tok dus zwart. De tok heeft een lint met de tekst "Zeeverkenners" en de bootsman draagt op de tok een gouden lelie-insigne.
Eind jaren zestig verdween de tok. Alleen de Dorus Rijkers droeg hem tot op heden, maar alleen bij het openen en sluiten, dus als "gala"uniform.
Een bijzondere tok werd aangeboden in 1950:

"Op het voorplein van de bunkers hing een mededeling van de beheerder van de Leidse Scoutshop, namelijk in verband met het 40 jarig bestaan van de N.P.V. heeft men een groot aantal tokken aangekocht. Het bijzondere van deze hoofddeksels is, dat er een dubbele bodem in zit met een ventiel in de opstaande rand. Deze bodem kan met een gewone fietspomp opgeblazen worden zodat de tok ook als zitplaats kan dienst doen. Om 5 uur demonstratie op het voorplein. Fietspomp meebrengen! Vele dachten niet aan de datum en liepen erin." (1 april 1950, logboek Stormvogels)


Fluit en fluitkoord
Vroeger was dit een meskoord (met de mes aan de riem) en kon iedere jongen het dragen. Later werd het een fluitkoord, alleen voor de bootsman en de leiders. De leider heeft een "gewone" rolfluit en de bootsman de bijzondere bootsmansfluit (Engels: Boatwain's Call of Boatwain's Whistle). Deze fluit werd oorspronkelijk gebruikt bij de Griekse galei(roei)schepen. Later werd het een bijzonder ereteken voor de bevelhebber van de vloot maar op de duur werd hij weer gebruikt door de gewone bootsman.
Met de hand over de bol en met mond en tong kunnen met deze fluit verschillende tonen (over 1 octaaf) en riedels gemaakt worden, waarmee vroeger op grote zeilschepen door de bootsman seinen werden gegeven naar de mannen in het want. (zie Het Water op, Handboek voor zeeverkenners). Commando's schreeuwen ging nu eenmaal niet op zulke afstanden en met veel wind. Tegenwoordig wordt nog bij de marine een belangrijke gast op de loopplank welkom geheten met een riedel.
Bij de zeeverkenners wordt hij niet gebruikt en dient dus alleen als ereteken voor de bootsman. In de tijd van de trui hing het aan de riem, bij de blouse aan de rechter borstzak.

Het fluitkoord hoort om de das gevlochten. Eind zestiger jaren verhuisde bij de leiders het koord naar de rechter epaulet. Vermoedelijk was Feite Pijttersen de eerste, want bij hem moest het koord plaatsmaken voor het Gilwellkoord. Dat bleek wel zo macho te staan, want zo deden de echte collega-uniformdragers dat ook. Dus werd het voorbeeld al snel door de andere leiders gevolgd, ondanks het feit dat het voor zeilers erg onhandig was. Op de meest ongelukkige momenten bleef het roer er in hangen en zorgde zo voor vreemde zeilmanouvres. De bootsman bleef het koord om de das dragen, maar nam eind zeventiger jaren de gewoonte van de leiders over.
 

De das
De das was oorspronkelijk een halsdoek, die militairen (en cowboys) te paard droegen om voor hun gezicht te doen bij zandstormen. In die uitrusting is hij ook populair geworden bij struikrovers, maar nu om niet herkend te worden. De das werd daarom met de punt naar voren gedragen en de uiteinden met een knoopje aan elkaar vastgemaakt.
Bij Scouting werd de das(kleur) een groepsherkenningsteken. De traditionele scoutingdracht had ook het knoopje aan het eind en de das werd strak gezet met een schuifknoop (een enkele Turkse knoop, vaak van leer) zodat de das niet rommelig om de nek slingerde maar bij gevaar snel losgehaald kon worden. Het knoopje in de punt verdween.
De wijd-open-boordenmode zorgt tegenwoordig weer voor dassen zonder dasring terwijl merkwaardig genoeg daardoor het oude knoopje aan de punten weer terug is. Ook wordt hij wel over de schouder onder een epaulet gedragen, met hetzelfde nadeel van conflicten met het roer. (www.pinetreeweb.com/neckerchief.htm, 1927)
 

Diversen
 
Verkenners(installatie)teken
Op de linker borstzak
Speltakteken
Na ~1980.
Op de rechter borstzak
Naambandje
Bovenaan op de rechter mouw

1970                   na 197....
Insignes
Op de rechter mouw. Volgens het monsterboekje zouden die nu links moeten zitten, maar Katwijk houdt zich nog aan rechts
Allerhande insignes en bandjes
van jubilea, kampen, wedstrijden worden tegenwoordig verzameld op de linker mouw.
Bakslinten
In de kleuren van het baksdier

Oorspronkelijk waren er maar een paar dieren met een enkele kleur. Later waren er meer, met dubbele kleuren. Er is bij de Dorus Rijkers een discussie geweest of de donkere kleur als buitenste gedragen moet worden, omdat het de schutkleur van de vogel zou zijn. Alhoewel het past bij het idee dat een uniform niet opvallend moet zijn, staat dit staat niet in "Verkenner van jongens" (~1948). Toch is dit bij de meeste bakken van de andere wachten wel het geval.

Volgens het huidige monsterboekje zijn de insignes naar links verhuist en zijn de bakslinten niet meer aanwezig. In Katwijk is dit echter niet doorgevoerd.
 

1970

2005
normaal met bootsmansfluit en, behalve de Dorus, geen tok


De welpen
 

196..

198..

2005