De titel is met opzet provocerend gekozen. Men vindt dat je het samen doet, in overleg, poldermodel. De werkelijkheid is natuurlijk anders. Iedereen denkt er net iets anders over en probeert voorzichtig, onopvallend manipulerend zijn gelijk te krijgen. Wie de macht heeft, of vriendelijker gezegd: de meeste invloed, trekt aan het langste eind.
Wie het binnen een wacht voor het zeggen heeft, lijkt voor een zo hierarchisch georganiseerde Scouting nogal voor de hand te liggen. Zegt het groepslied niet: "De schipper is de baas aan boord" (maar niet thuis)? Bij Scouting zit er echter een angeltje onder het gras.
Luister naar schipper Haasnoot tijdens een Gilwellcursus:
"De bootsman wordt door z'n eigen jongens gekozen. De bootsman kiest z'n kwartiermeester. Bootslieden en kwartiermeesters vormen de scheepsraad. De scheepsraad leidt de troep onder toezicht van de leider. De leider heeft in de scheepsraad een adviserende stem. Deze heeft de functie van oudere broer." (Logboek Gilwellcursus 1955, Kees van Beelen)
Het was het basisprincipe van Scouting en zo stond het dan ook in het reglement:
art. 242.  De scheepsraad bestaat uit bootslieden en eventueel de opperbootsman. De kwartiermeesters kunnen ook lid zijn van de scheepsraad. De leiders van de troep treden slechts adviserend op. De scheepsraad behandelt aangelegenheden betreffende de interne leiding, de discipline en het beheer van de geldmiddelen van de troep. (Het Verkenner voor Jongens , Baden-Powell, aangepast aan zeeverkenners-terminologie)
De jongens zijn volgens Baden-Powell zelf verantwoordelijk:
"Ik had bepaald dat de positie van leider niet die was van schoolmeester of commanderend officier, maar meer die van een oudere broer tussen zijn jongens, niet afstandelijk of boven hen, maar zelf meedoend met hun activiteiten, hun enthousiasme delend, en dus, in de positie om ieder individueel te leren kennen, de mogelijkheid heeft om hen te inspireren en nieuwe wegen te suggereren als zijn vinger op hun pols hem leerde dat de aantrekkingskracht van een bestaande rage verdween." (Lessons from the Varsity of Life, Baden-Powell )
In Katwijk is dat ook geprobeerd. Uit logboeken blijkt dat in de vijftiger en zestiger jaren kader en scheepsraad invloed hadden. De bootslieden gaven instructie aan hun baksleden. Dit gebeurde op een avond thuis of op de troepmiddag, waarvoor men soms bij de staf zaterdagmiddagen opeiste. Als de leiders niet op kwamen dagen, opende een bootsman en hielden ze zichzelf bezig. De scheepsraad maakte het programma: in 1952 mopperde Schipper Parlevliet dat hij wel eens een groot spel wilde zien. De scheepsraad stelde het kader samen en bepaalde waar het zomerkamp werd gehouden. Voor het Nationale Waterkamp in 1961 werden de aanmeldingsgegevens opgestuurd naar de scheepsraad en alleen maar ter kennisname naar de leider. Op het formulier moest een akkoordverklaring van de scheepsraad staan en toen er een aantal negatieve antwoorden volgden, vroeg men zich af of "bij zo een beslissing de scheepsraad wel gehoord is." (Kamparchief Ravensbergen)

Een eerste teken van zelfstandigheid is te zien bij de Julianatroep. Het zomerkamp van 1947 is een mengeling van gemeenschappelijke- en zelfstandige baksexcursies. Schipper Vink concludeert dan ook: "Veel zelfstandig zwerven is het geworden en met goede resultaten. De proefname: veel vrijheid geven. Zelfstandig alles laten opknappen, heeft uitstekend voldaan." Een jaar later volgde een discussie:

"Het werd een debat over de mate van zelfstandigheid in een kamp toelaatbaar. Over het geheel genomen was er in de troep weinig animo te ontdekken voor een passieve rol voor de bak-als-eenheid. De schipper beloofde de vrijheidslievende neigingen van z'n troep op de leidersvergadering in 't midden te brengen, zoals we merkten niet zonder succes." (Logboek Juliana, juni 1948, Gerrit Schaap)
In 1949 mag een bak zelfs een eigen zomerkamp houden, waarvan echter later wordt opgemerkt: " 't was wel machtig gezellig en lollig geweest, maar het had de schipper uit het oogpunt van "scouting" niet voldaan"  (groepsraad sept 1949)

In hetzelfde jaar krijgt de Neptunusgroep, als opheffing dreigt door gebrek aan leiders, op aandrang van de bootslieden zelfs toestemming om onder leiding van de scheepsraad verder te gaan.

Die zelfstandigheid werd ook wel door een principiële leiding opgelegd:

"Op de laatste scheepsraad kwam stuurman Schaap zeer laat binnen. Nogal verwonderd vroeg hij, toen we hem erop opmerkzaam maakten, of de scheepsraad soms voor schippers en stuurlui was. Hij had namelijk de laatste maanden laten blijken dat deze alleen voor de bootsmannen en kwartiermeesters was, want die stelden volgens hem de programma's vast. Maar even zo goed stelde hij deze middag vast (met goedvinden van de schipper) dat het eigen programma van elke bak, die elke bootsman gemaakt had, verviel en de tijd besteed moest worden aan de boten" (logboek Wulpen, 1951)
Schipper Haasnoot bracht het principe zelf natuurlijk in de praktijk. Hij nam ook de bootslieden op in de lijst van leiders in het Dorus Rijkers logboek (1948-1952).
"Gijs van Duyn wil met Pinksteren een patrouillekamp houden. Toegestaan. Kaartje van Gijs van Duin aan schipper. Heeft met de Spechten met drie man in Soestduinen een goed kamp gehad" (Logboek Dorus Rijkers 1948)
Maar uit hetzelfde logboek blijkt ook de voortdurende aarzeling, bijvoorbeeld in zijn commentaar op een mislukt spel:
" 'k geeft dit, omdat ik zelf een onbestemd onprettig gevoel had bij dit programma en omdat ik het later nog eens nalezen kon:
- Persoonlijk laat ik mij teveel beïnvloeden door een minder prettige gang van zaken. Opgewekt blijven en beslist verder gaan en er niet over terug denken, de oplossing?
- Openen en sluiten ging belabberd (wat betreft de ereraad). Oorzaak: geen inzicht, moet ook niet van mij verwacht worden!, geen eigen goede getraindheid van de ereraad om dit op te vangen.
- Dezelfde verkenner die zei: volgende week instructie maar (!), had op de vorige scheepsraad verkondigd: liever geen instructies, want ik leer de hele week al! Les: verkenners op deze leeftijd zijn zeer veranderlijk van mening; is wel rekening mee te houden, maar niet op te bouwen." (logboek Dorus Rijkers, 1950)
Als de bootslieden besluiten om de bakken in te delen naar leeftijd (Kees Parlevliet: "ik wordt te oud voor die jonge welpen; ik weet niet meer hoe of ik er mee om moet gaan; mijn bak is al zo vaak veranderd")  moet de schipper veel moeite doen om de scheepsraad te overtuigen van de moeilijkheid om programma's te maken voor de hele troep wanneer de bakken verschillende leeftijden hebben. Hij kwam ook tot de conclusie dat wil een bak goed lopen, dan moet de bootsman toch zeker een jaar of 16-17 zijn. (Logboek Dorus Rijkers, 1949, 1950, 1952)

Bij de Abel Tasmantroep echter, onder de krachtige leiding van Niek Ravensbergen, hadden de bootslieden niet veel te vertellen (Niek ravensbergen jr.)

Als de leiders een krachtig stempel op de troep drukken, wordt het uiteindelijk een machtsstrijd tussen leiders en kader. In de Dorus is dit in de scheepraad genotuleerd:

"Vooral de organisatie van de scheepsraad zelf werd behandeld. Dit zat wel in de lucht na de botsing tussen kader en staf eind december vorig jaar. Het bleek dat zowel bootslieden als leiding de spelregels nagepluist hadden. Volgens de spelregels moet deze geleidt worden door een 1e klasser onder bepaalde voorwaarden. Schipper Dubbeldam stelde echter voor, dat de bootslieden wisselend voorzitter zouden zijn, bijgestaan door de kwartiermeesters als notulisten. Dit werd zonder hoofdelijke stemming aangenomen" (Notulen scheepsraad Dorus Rijkers 1967)
Uit de notulen blijkt dat deze scheepsraad inderdaad het programma vaststelt, het kader samenstelt, jongens uit de troep verwijderen en bepalen waar het zomerkamp wordt gehouden (al had dat weinig effect).
In het begin van de zeventiger jaren vond nog menige stevige discussie plaats in de scheepsraad, maar naarmate de leiders ouder werden en meer overwicht kregen, veranderde de scheepsraad uiteindelijk in een orgaan waar het kader door de staf geinformeerd werd over wat er gebeuren ging.
Omdat de groepsleider toen een vriendelijke man was, die zich niet met de dagelijkse zaken bemoeide, had de schipper ook naar boven toe de macht. De schippers overlegden de algemene zaken in de vlootraad, maar waren verder praktisch zelfstandig.
Er kwam ook steeds meer leiding. Vanwege de zelfstandigheid van de bak kent Scouting eigenlijk maar één leider met een assistent. Ook in Katwijk waren er in de beginperiode vaak niet meer. Met een schipper en twee stuurlieden was men heel tevreden. Een kleine staf leunt automatisch meer op de bootslieden. In de zeventiger jaren groeide de staf echter uit tot meer dan vijf man en dat overwicht drukte de bootsman verder weg.

Met het aantreden van Feite Pijttersen als groepsvoorzitter werd een situatie van vlak na de oorlog hersteld: een oudere ervaren rot boven de schippers. Het bestuur dijde verder uit met oudere leiders die werk, en dus verantwoordelijkheid, van de leiders overnam. Hierdoor raakten op hun beurt de leiders weer een deel van hun zelfstandigheid kwijt.

Schipper Haasnoot concludeerde al: