Het artistieke deel van de zeeverkennerij bestond uit zingen en "recreaties", wat we nu sketches noemen. De leiders van het eerste uur waren leraren die op de kweekschool onderwezen werden in de samenzang (en canons!). Zelfs een groepsraad werd eens afgesloten met een half uurtje zingen. Toch ontmoette dit bij de jongens minder enthousiasme dan gehoopt, want vertelde schipper Leen Haasnoot niet tijdens een Gillwellcursus:

"De recreatiemogelijkheden zijn in onze troep niet groot. De jongen bevindt zich in een stadium dat hij zich niet goed durft te uiten. Er zijn meestal een paar typen in de troep die dat durven. Toch is er wel wat te bereiken, bijvoorbeeld met maskerspelen. Achter zo'n masker durft de jongen wel te acteren." (logboek Gillwellcursus 1955, C.D. van Beelen)
In de groepsraad werd eerst besloten om iedere zaterdag te zingen, daarna moest iedereen het maar zelf uitzoeken, daarna weer iedere maand. Uiteindelijk verzuchtte iemand:
"Daarna informeerde iemand cynisch en met gebrek aan werkelijkheidszin wanneer we nou es gingen zingen, figuurlijk genomen. De oorzaak van de slapte in dit bedrijf is dezelfde als die van het Band-drama: twee maanden geen buitengewone of geen activiteiten." (groepsraad juni 1949)
Er werd na de oorlog ook een band opgericht ("de Band") die echter na een paar jaar inzakken en opbeuren overleed. Men wilde zelfs een revue maken, in navolging van de spectaculaire vooroorlogse revue "De avonturen van koning Amarito" van Huib van der Maaden. Maar ook dat haalden ze niet.

 
Toch blijkt uit de logboeken dat er best wel gezongen werd, niet alleen bij kampvuren, maar ook in het troephuis na het programma.
Ook namen jongens zelf instrumenten mee, zoals bij de Juliana een opperbootsman met mondharmonica en bij de Dorus Rijkers nam Krijn van Rijn zijn trekharmonica mee.
"om 4 uur werd van boot gewisseld en daar er niet zoveel wind was, gingen we in het riet liggen en gingen enige versjes zingen en oefenen voor de ouderavond."  (Logboek Bevers, 1958)


Maar toen kwam er techneutenleiding, die nu zelf  "zich in een stadium bevond dat hij zich niet goed durft te uiten". Er werd nog wel iets georganiseerd, zoals de bonte avond op het zomerkamp (als pa Houwaard Neptunus was) en in het winterprogramma. Maar je moet een Bonte avond met Kees Houwaard hebben meegemaakt om te beseffen wat er nodig is om een goed verhaal te vertellen en de jongens aan het zingen te krijgen. En dat hadden wij niet. Maar het blijft het grootste gemis.
 

In de zestiger jaren maakte de nieuwe popmuziek alle meezingliedjes op slag truttig. Daarbij valt popmuziek niet mee te zingen, terwijl een elektrische gitaar weinig doet op een kamp. De echte padvindersliederen, zoals Hoort zegt het Voort sneuvelden definitief, maar sommige liedjes bleven leuk en dus populair. Met een leiding die zelf geen noot zong, was de tekstvastheid echter beroerd. Het eerste couplet werd uit volle borst gezongen, het tweede met horten en stoten, en daarna zweeg men. Er wordt dus nauwelijks meer gezongen, ondanks het feit dat iedere wacht tegenwoordig op zomerkamp een kampvuur maakt in een stalen bak. Alleen het Potje met Vet kent men nog (met alle coupletten).
De hierna volgende scouting"traditionals" zijn daarom niet meer bekend. Alleen de Dorus Rijkers heeft nog een (goede) liederenbundel waar ze in staan en waar weleens uit gezongen wordt. (4 schippers)

Anders ligt het natuurlijk bij de welpen, waar jongens en leiding minder bezwaard zijn. Daar wordt alles met volle kracht meegezongen, desnoods ter plekke door de leiding verzonnen liederen.
Des te vreemder was dan ook de ervaring bij het Kawaka in 2005. Op de laatste avond stond in het midden de grote vuurbak waarin de "weg van pallets" werd opgestookt. Een groot en vonkend vuur. De jongens waren naar hun tenten, die in een grote kring om het vuur stonden. De leiding verzamelde zich met warme chocomel, waarna oud-stuurman Christiaan Pen begon te zingen, niet de alleen de traditionals, maar ook oude zeemansliederen. In stijl en met mooie stem. Het werd door sommigen enthousiast ontvangen en meegezongen. Een gezellig publiek in een ijzig koude wind. Natuurlijk ging het weer niet verder dan anderhalf couplet, tot ieders spijt. Toch klonk nog tot ruim na het middernachtelijk uur het "Zo gaan we met z'n allen naar de bliksem toe, Het is jammer dat we alleen niet weten hoe. Ach wat jammer, ach wat jammer". Zo'n tafereel had de Katwijkse verkennerij waarschijnlijk in geen 35 jaar meegemaakt.
 


Recreaties

Recreaties zijn alles wat je theater zou kunnen noemen. Baden-Powell vond dat de jongen hier zijn theatrale fantasie in uit kon leven. Het zijn in hoofdzaak sketches en toneelstukjes zoals ze nu ook nog op de Bonte avond worden gehouden, maar ook buitenvoorstellingen, vaak het nadoen van historische taferelen of gymnastische oefeningen zoals de torens (jongens die op elkaar staan). De binnenvoorstellingen moesten vooral leuk zijn en in de diverse logboeken werden die streng beoordeeld. Helaas is meestal niet duidelijk wat er nu precies werd opgevoerd.

"Daarom gingen we deze middag verschillende oefeningen doen zoals Ben Hur, molen, de krabbengang en verschillende torens" (logboek Spechten 1953)



De liederen

(verzameling Dorus Rijkerswacht eind jaren zeventig)

 

Een Jongeman Uit Bennekom
 
Een jongeman uit Bennekom
vond in zijn tuin een vliegtuigbom.
Hij nodigde zijn vrienden uit
het ding te demonteren.
Op de begrafenis verscheen
van de genodigen geen één.
Zij lagen met versplinterd been.
Dat kwam van 't exploderen.
Zo gaan we allen naar de bliksem toe.
't Is jammer alleen, dat we niet weten hoe.
Ach, wat jammer,
Ach, wat jammer.

Een juffrouw bakte 'n fricandel,
al op een petroleumstel.
Maar plotseling, daar ging de bel:
het was des buurmans gade.
De jongste spruit, heel bijdehand,
vond juist die vlam heel interessant.
De volgende dag stond in de krant:
verzekering dekt de schade.

Een zekere Brown, Amerikaan,
zou met zijn Ford uit rijden gaan.
Maar halverwege bleef hij staan.
Hij wou niet verder varen.
Hij stapte vlug zijn auto uit,
een brandend peukje in zijn snuit.
Hij keek in de benzinetuit.
Zijn leeftijd dertig jaren.

Bij 'n overweg in dichte mist
had zich een automobilist
zich er niet goed van vergewist
en reed met volgas henen.
Geruisloos reed de dieseltrein
terzelfder tijd op dat stuk lijn.
Zij bleken er gelijk te zijn,
van marmer is zijn grafsteen.

Een oude man uit Gaasterland
die nam een bronzen vaas ter hand
en smeet niet zonder tegenzin
zijn goede vrouw de hersens in.
Toen men hem daarop arresteerde
en naar de reden informeerde,
zei hij zonder plichtplegingen:
uit schoonheidsoverwegingen.
 
Een sleepboot had een zware sjouw
en vorderde niet al te gauw.
Toen bond de stuurman met een touw
de veiligheidsklep stevig.
Maar bij het schutten in een sluis
vergat hij 't touwtje per abuis.
De stuurman kwam toen nooit meer thuis.
De klap was nogal hevig.
Zo gaan we allen naar de bliksem toe.
't Is jammer alleen dat we niet weten hoe.
Acht wat jammer,
Acht wat jammer.


Aan de oevers van de Rotte

Aan de oevers van de Rotte,
tussen Delft en Overschie.
Zat een kikvors luid te wenen
met een zuigling op haar knie.

Lieve kleine, sprak de ouwe,
zie je daar die ooievaar?
't is de moord'naar van je vader,
hij vrat hem op met huid en haar.

Potverdomme, sprak die kleine,
heeft die rotzak dat gedaan!
als ik later groot en sterk ben,
zal ik hem op zijn falie slaan.

Nauwelijks was hij uitgesproken,
of daar kwam de ooievaar.
En deed net als met zijn vader:
vrat hem op met huid en haar.

Aan de oevers van de Rotte,
tussen Delft en Overschie,
zat een kikvors luid te wenen,
zonder zuigling op haar knie.
 


Kaapren varen

Al die willen ter kaap'ren varen,
moeten mannen met baarden zijn.
Jan, Piert, Joris en Corneel: die hebben baarden, die hebben baarden
Jan, Piert, Joris en Corneel: die hebben baarden, zij varen mee

Al die ranzige tweebak lusten,
moeten mannen met baarden zijn.

Al die deftige pijpen smoren,
moeten mannen met baarden zijn.

Al die met ons de walrus killen,
moeten mannen met baarden zijn.

Al die dood en duivel niet duchten,
moeten mannen met baarden zijn.
Jan, Piert, Joris en Corneel: die hebben baarden, die hebben baarden
Jan, Piert, Joris en Corneel: die hebben baarden, zij varen mee
 


Julia

En Julia is zo schoon, zo schoon als een sirene,
al heeft ze vuurrood haar en kromme benen.
    Julia, Julia, Julia-ja,
    en Julia is zo schoon.

En Julia is zo schoon, ze heeft van die mooie haren,
van voren is het vlas, van achteren net garen.

En Julia is zo schoon, ze heeft van die mooie tanden,
ze zijn zo groen als gras, met donkergele randen.

En Julia is zo schoon, ze heeft van die mooie oren,
de ene is gescheurd, de ander is verloren.

En Julia is zo schoon, ze heeft van die mooie ogen,
de ene is van glas, de ander hangt te drogen.

En Julia is zo schoon, ze heeft van die mooie armen,
de ene hangt erbij, de ander is van darmen.

En Julia is zo schoon, ze heeft van die mooi benen,
de ene is van hout, de ander is verdwenen.
 


A B C

A  B  C   Ik nam m'n meisje mee
    en ik had me voorgenomen
    nergens aan te komen
    A  B  C   Ik nam m'n meisje mee
 
D  E  F

G  H  I

J  K  L

M  N  O

P  Q  R

S  T  U

V  W X

X  Y  Z

Ik kreeg een beetje lef

toen zat ze op m'n knie

toen brak haar jarretel

meneer dat doet u zo

meneer u gaat te ver

meneer wat doet u nu

meneer dat kost een riks

toen gingen we naar huis


Pleecomplex

Ik heb toch zo iets geks.
Ik heb een pleecomplex.
Ik hou zo van die geur,
die teksten op de deur.
Zie ik hem openstaan,
dan moet ik altijd gaan.
Oh, doe die deur op slot
ik ga eraan kapot.
Maar doe die bril omhoog,
want ik zit ook graag droog.
Zeg, ga mee naar de plee,
ik zwijmel bij 't idee.
 


Troepslied van de Juliana / Dorus Rijkers / Neptunus

Tekst en muziek: schipper Huib van der Maaden
In Katwijk is een fijne troep. 
Dat is de Julianagroep.
En ieder die er lid van wordt 
leert alle soort van watersport
en leert al gauw 't bekend geroep: 
Haal op, gelijk
Haal op, gelijk
 

Haal op, gelijk

De Watertrappers staan bekend
als stam waar men geen zorgen kent.
Daar hoort dan ook een stamgeest bij
die altijd meegaat, waar 't ook zij.
Aan 't dolste is hij zelfs gewend.

De slag roeit altijd in de maat.
De boeg komt steeds een tel te laat,
En alles wat daartussen roeit
en zich met maat nog tel bemoeit,
dat plonst, of 't naar de kelder gaat.

Laveren doen wij tegen wind.
Geen één van ons die 't moeilijk vindt.
En als de boot de oever raakt
en heel de mast in tweëen kraakt
dan roept de schipper: door de wind!

De beste stuurlui staan aan land,
die leren roeien uit de krant.
Ook onze stuurman hoort daarbij.
Die roept steeds: is't nou loef of lij?
'k bedoel de and're stuurboordskant.

De schipper is de baas aan boord,
een ieder luistert naar zijn woord.
Maar thuis is het juist omgekeerd,
want vrouwlief heeft hem goed geleerd:
Je houdt je mond zoals 't behoort.

Een loods voelt zich een hele Piet,
zolang hij maar geen water ziet.
Maar komt de branding in het zicht
dan zegt hij met een bleek gezicht:
Mijn broek is nat en 't regent niet
 
En nu tot slot nog de moraal:
wordt zeeverkenner allemaal.
Dan blijf je jong en fris van geest, 
al was je tachtig jaar geweest.
't Verkennen blijft ons ideaal.
Haal op gelijk
Haal op gelijk
 

Haal op gelijk

(NPV archief, ~1946. Han van der Maaden)


Oorspronkelijk was dit een lied van de Julianagroep (toen deze nog uit alle troepen bestond). In de verzameling liederen uit de zeventiger jaren (verzameld door Dorus-stuuman Koos van Rijn) duikt hij echter op in de Dorus Rijkers versie. In deze wacht is het lied daardoor blijven bestaan en staat nu bekend als het Dorus Rijkers lied.
Ook de Neptunusgroep gebruikte het lied maar kwam in de knoop met een maat teveel:

"De Schipper had gemerkt dat onze bak een patrouillekrant heeft. Hierin had ik wat geschreven over het troepslied: In Katwijk is een fijne troep, Dat is de Nep-Neptunusgroep (Nep-Nep voor het ritme). Nu had ik gezegd dat er beter gezongen kon worden: Neheptunusgroep want ik was bang voor de bijnaam Nep Nep die je al hoorde. Dit werd aangenomen." (Logboek Eksters, Jan Bloot)



Hoort zegt het voort

Hoort zegt het voort
Dat nu jong Nederland
Niet meer teert op de kracht
Van een roemrijk geslacht,
Maar aan 't werk gaat met eigen hand
Werk maakt ons sterk,
Helpt ons in 't leven voort
Wij rusten niet uit,
Want wij willen vooruit,
Naar de toekomst, die ons behoort.

Naar de duinen naar de bosschen,
't Volle leven tegemoet,
Want de frisschen zin
Brengt de buitenlucht er in
En een waakzaam oor
Houdt ons op het rechte spoor
Hij, die eens de vlag wil hijsen
Op het werk van onzen tijd
Houde vol zijn keus
Blijve trouw aan onze leus:
"wij zijn bereid"
 


Klassieke zeemans-spreuken     (Gilwill logboek Henk Elsgeest, 195..)
 

Wie te hoog z'n zeilen stelt,
Wordt lichtelijk door de wind geveld
 
 

Zo is het geweest en zo zal het blijven,
Arm de zeeman en vals de wijven
 
 

Krimpende wind en uitlopende vrouwen,
Daar kan men geen zee mee houden
 
 

Het is beter dat men aan 't roeien slaat,
Voordat schip en man ten onder gaat
 
 

Die z'n tijdjen weet te gissen,
en z'n touwjen weet te splissen,
en z'n glas te roere staan,
mag wel voor een bootsman gaan.
 
 

Wanneer de schoot staat om te vieren,
Dan is het kleine kunst te stieren,
Maar als de nood gaat aan de man,
Dan ziet men daar die stieren kan
 
 

't Slimste dat men vindt,
is stil en in de wind
 
 

Wie tegen de wind spuwt maakt zijn baard vuil.
 
 

Wie gijpt moet de giek verwachten
 
 

De duurste schepen blijven aan wal
 
 

Eerst de wind en dan de regen,
Daar kunnen we wel tegen,
Maar eerst de regen en dan de windt,
Zorg dan dat je de zeilen bindt
 
 

Het is goed laveren met natte zeilen
 
 

Een schip op 't droogh gezeilt dat is een zeker baken,
En 't is na mijn begrip geen onverzichtig man,
Die op een anders feyl de zijne tomen kan
 
 

Een groot zeil op een klein schip,
Moet in de grond of op een klip
 
 

Het mag vloeien,
Het mag ebben,
't Groot schip wil groot water hebben
 
 

De zee zo wijd,
De zee zo groot,
Zout water geeft het zoetste brood