De zeeverkenners hadden tot 1950 vrijwel geen boten en hadden dus een landverkennersprogramma. Daar hoorde koken bij, op een houtvuur. Tijdens kampen moest de volledige middagmaaltijd op houtvuur worden klaargemaakt. Die vuurtjes lagen niet op de grond, maar op gepionierde vuurtafels.
"Vervolgens gaan we vuur maken. Bijna alle groepen kiezen het pagodevuur. Het meest rommelige bouwsel brandt natuurlijk 't eerst en met gebruik van één lucifer." (logboek Dorus Rijkers, 1948)
Toen de schouwen kwamen, gingen de verkenners naar de plassen op zomerkamp en op die open terreinen kon je niet op een houtvuur koken. Het was ook niet meer nodig, want er kwamen primussen en gastoestellen. De kunst van het koken op open vuur verdween.
"Omdat we in het zomerkamp op primussen en butagas koken, verleren we het koken op houtvuur wel een beetje. Zo'n kookmiddag kan geen kwaad. Alleen is het jammer dat er altijd alleen maar stokbroodjes worden gekookt en verder weinig originele dingen" (logboek Stormvogels, Hugo s Jacob, 1954)

Wat resteerde was de kookmiddag op het terrein van de bunkers, dat de padvinderij ook na het verlaten van de bunkers bleef huren. Hout werd van strand gehaald, waarna op open plekken of (ingestorte) bunkers vuurtjes werden gestookt. Het beroemdste onderdeel was stokbrood: deeg gemaakt van (niet rijzend) meel en water dat om een stok werd gedraaid. Hiervoor moest het vuur eerst uit zijn, waarna op de resterende houtskool het brood werd geroosterd. De truc was om niet te veel water te gebruiken (plakzooi) en het goed vast te zetten op de stok, anders kon je hem regelmatig uit het vuur vissen. Het resultaat kon met boter en suiker heerlijk zijn (mits gaar en zonder houtskool en zand).

  Stokbrood

"De meeste bakploegen toverden lichtbruin geroosterde stokbroden tevoorschijn uit vorm-reuk- en smakeloze deegklompen. Een paar nieuwelingen in 't bakkersbedrijf eindigden met een nieuwe variatie: in boter gepasteuriseerde cement; 't heette stokbrood, maar Shakespeare zei al: "What's in a name", dus 't mocht de titel voeren."(Logboek Juliana, 1948, Gerrit Schaap)

"Eén van de hoogtepunten van het troepsleven is weer aangebroken. De troep gaat weer stokkebrood bakken, aardappeltjes koken, worstjes opwarmen. Doordat het hout nog niet helemaal droog was, kostte het nogal wat moeite om de vuurtjes aan te krijgen. In groepjes van vijf, zes en drie werden de vuurtjes hoog gestookt om boven het verkregen houtskool het brooddeeg te roosteren. Hier en daar werden weer fraaie staaltjes van bakkunst vertoond. Sjaak van Rijn kreeg via een zusje, die met haar moeder was komen kijken, zoveel deeg, dat de hele troep brood kon eten. Johan Parlevliet had een zeer fraai broodje. Het deeg van Wim Klok was te slap en viel van de stok af. Daar ondertussen Kees de Roode klaar was met nasi opbakken, werd de koekepan gebruikt om één groot stuk deeg op te bakken. Mart bracht wat variatie in het bekende patroon door vlees met uitjes en tomaat aan draadjes boven het vuur te roosteren. Omstreeks vier uur was iedereen klaar en kon nog even geoefend worden voor de sportwedstrijden." (Logboek Juliana, John Basters, 1970. Foto's Dorus Rijkers 1974)

 

Door het wegvallen van de duinen is ook het koken op hout verdwenen. Tegenwoordig worden er nog wel een enkele keer vuurtjes gestookt op het strand of in de kampvuurkuil van Parnassia, maar daar worden slechts marshmellows of popcorn gemaakt of een gewone barbecue. (4 schippers)