Sint Joris

St.-Joris is de patroon van Scouting. Hij zou een Romeinse soldaat zijn die op 23 april 303 werd terechtgesteld vanwege zijn protesten tegen de christenvervolging door de Romeinse keizer Diocletianus. Hij werd daarom later door de Katholieke kerk heilig verklaard. 23 april werd dus St.-Jorisdag (zijn sterfdag was zijn geboortedag als heilige). Zijn wapen was een rood kruis op een wit veld. St.-Joris werd beschermheilige van Engeland. Ook Baden-Powell koos hem als patroon van Scouting, vooral vanwege de legende met de draak.


 

Volgens de legende leefde in een meer bij de stad Silena in Libië een draak, die met zijn adem de hele streek en de stad vergiftigde. Dus gaven de stadsbewoners hem twee schapen per dag om zijn honger te stillen. Toen de schapen op waren, werden de mensen geofferd, aangewezen door het lot. Toen het lot op de dochter van de koning viel, bood hij al zijn rijkdom aan voor een vervanger, maar de bewoners weigerden. Dus werd de dochter, verkleed als bruid, naar de draak gebracht. Toen kwam de ridder Joris aanrijden en vroeg het meisje wat ze daar deed. Ze smeekte hem weg te gaan, anders zou ook hij omkomen. Maar de ridder bleef en toen de draak kwam, maakte hij het teken van het kruis, vocht hevig en doorstak hem met zijn lans. Daarop vroeg hij de gordel van het meisje, bond die om de nek van de draak en zo leidde hij de draak als een mak beest naar de stad. Toen ze in de stad aankwamen zei Joris dat ze in God moesten geloven en zich laten dopen, dan zou hij de draak doden. Iedereen liet zich dopen, waarna Joris het hoofd van de draak afsloeg. (The golden Legend or Lives of the Saints, 1275)
Volgens Baden-Powell kon iedere padvinder een voorbeeld nemen aan de durf van St.-Joris, in een bijna hopeloos gevecht waar ieder ander niet aan durfde te beginnen. Nu gaf Baden-Powell zijn adviezen vaak in de vorm van voor jongens spannende verhalen, zodat hij het opwindende verhaal ook wel geschikt zal hebben gevonden. Ridderverhalen waren toen erg populair, vooral van die koning Arthur en zijn ridders van de Ronde Tafel, waarmee hij het St.-Jorisverhaal verbond. Om onduidelijke redenen was in Engeland aan St.-Jorisdag ook een rode roos verbonden, die in Nederland werd vervangen door een rode tulp.
 


St.-Jorisdag

In het begin van Scouting, in ieder geval in de jaren na de Tweede Wereldoorlog, werd St.-Jorisdag gevierd op de dag zelf, ook als die dag in de week viel. 's Morgens verzamelde men zich:

" 's Morgens om zeven uur kwamen alle padvinders en welpen bij elkaar op het plein voor onze bunker. De vlag werd gehesen en de padvinders-, welpen- en loodsenwet werd voorgelezen. Daarna hield de heer Boekhoven een korte toespraak, die ongeveer dezelfde inhoud had als vorig jaar" (Logboek Spechten, 1955)
Daarna kreeg iedereen een rode tulp en ging naar huis, werk of school om s' avonds weer terug te komen voor het kampvuur waar het St.-Jorisverhaal werd verteld. In nieuwe versies van de legende werd het gevecht nog dramatischer gemaakt, terwijl tegenwoordig de ridder is vervangen door een jongen. Toch is het de vraag of dit soort ridderlegendes in die tijd nog tot de verbeelding sprak:
" 's Avonds hadden we kampvuur met het St.-Jorisverhaal. Dit begon om 7.30 uur. Kalsbeek las het voor. Het was heel leuk om de welpen onder het vertellen te zien dutten. Maar over het algemeen was het toch leuk. Het was om 9.30 afgelopen" (Logboek Spechten, 1954)
Hierrna volgde een uitleg van het veehaal:
"Om 8 uur zijn we weer voor het kampvuur bijeen. De drie vlaggen strijken keurig gelijk naar beneden en dan begint Huib in de grote woelige welpen- en verkennersschare eerst enige rust te brengen. En dan begint er een St.-Joriskampvuur zoals ik er in mijn loopbaan nog geen tweede heb meegemaakt. Zelf heb ik nooit beter de diepe inhoud van dit verhaal, deze legende, verstaan als bij de dood-nuchtere woorden van Huib op deze avond. De geestelijke kracht en moed van deze viering voor het dagelijkse leven nooit beter ervaren. Zie niet om, maar ga voort, voort!" (Logboek Dorus Rijkers 1948, schipper Leen Haasnoot)

"Schipper van der Maaden vertelde het verhaal van onze legendarische voorganger. Misschien komt het doordat kampvuren bij ons zo zeldzaam zijn, maar voor krabbelaar dezes gaat er steeds iets van uit en speciaal op Sint Jorisdag: het vuur reinigt, het is radicaal en kent het compromis niet; het heeft steeds nieuwe vormen en blijft toch hetzelfde. God geeft dat onze idealen steeds als fakkels in ons branden" (Julianalogboek 1951, Gerrit Schaap)

Vervolgens werd gezamenlijk de belofte hernieuwd.

De laatst vermeldde complete St-Jorisviering, met een opening om zeven uur bij het raadhuis, met rode tulp en 's avonds een kampvuur en het verhaal is in 1965 (Logboek Sperwers)

 


St.-Jorismarsen

Later volgde kort na St.-Jorisdag op een zaterdag de St.-Jorismarsen in Oegstgeest. Dit was nog een echte mars: de 15 kilometer werd in een dikke twee uur afgelegd. In de vijftiger jaren liep het kader zelfs 20 km. En wanneer ze de tram miste, wandelde de jongens nog terug naar Katwijk.

"Om vijf over half drie zetten we de eerste schreden, want onze stuurman had gesmoesd met de man die het startsein gaf. We liepen achter een stel afgrijselijk door elkaar hobbelende welpen, die we ter bestemde plaatse dan ook schielijk voorbij stoomden. De tocht liep verder zonder evenementen, want de zon scheen helder en de weg was breed ... soms. Alleen liepen we onze plaats achter de kopgroep mis tengevolge van de afwezigheid van ogen in het achterhoofd van de stuurman, waardoor we een beetje uit de koers kwamen, een en ander tot blijkbaar misnoegen van enkele eerzuchtige troepleden. Dat deed niet af van het welslagen van de mars, die we natuurlijk allemaal uitliepen, al kostte het een paar kleinere, wel moeite. Nog iets aardigs. Het grootste deel van de weg werden we vergezeld  door twee jongskes per autoped, die bij ons bleven als loodsmannetjes bij de haai. Niet dat wij zo haaierig zijn, maar 'k wil maar zeggen.... Na afloop kregen de recidivisten een blikken tweetje, dat geen 85 cent waard was! Toen we om 6 uur nog geen uitslag vernomen hadden, spoedden we ons met z'n vijven bij gebrek aan een tram per benenwagen zeewaarts. Rest mij nog te zeggen dat we het parcours in 2 1/4 uur hadden afgelegd" (logboek Juliana 1948, Gerrit Schaap)
"Het was prachtig weer en de jaarlijkse St-Jorismarsen zouden weer gehouden worden. Er werd via de luidsprekers bekend gemaakt dat we moesten opstellen. Het starten duurde nog wel een half uurtje. Maar toen  we eenmaal op weg waren voelden we pas hoe warm het was. Het zweet gutste van ons voorhoofd, toen we "water" hoorden. Allemaal stormden we er op af. Er stonden namelijk een paar kinderen met een emmer water langs de weg. Toen deze leeg was liepen we verder. Het ging voor de groteren wel wat langzaam omdat er zoveel kleintjes bij waren. Er werden heel wat "schone" liederen gezongen. Toen er 10 km op zat was er nog steeds niemand uitgevallen." ( Logboek Zeehonden 1959, Leo van der Plas)


In de zeventiger jaren was het een wandeling geworden van drie uur, onder voortdurend gemopper van het kader "dat ze zo moe werden van dat langzame lopen." Inhalen was ook moeilijker geworden. Na de oorlog reden er nog weinig auto's, dus marcheerde iedereen op de ruime straat. Later werd men teruggedrongen naar de stoep en veroorzaakten inhaalslagen veel ergernis. In de zeventiger jaren vond de Dorus Rijkers de 15 km te zwaar voor de jongste jongens (!) en ging over op de 10 km. Weer een stap terug maar eigenlijk wel volgens Scoutingprincipes, want in het Verkennen voor Jongens stond: "Lange marsen (van meer dan 10 km) zijn slecht voor de jongens. Ten onrechte meent men dat ze volhoudingsvermogen aankweken". Waarschijnlijk kwam dit voort uit de bezwaren van Baden-Powell tegen exercities:

"Militaire exercitie geeft de zwakke leider met weinig verbeeldingskracht iets waarmee hij de jongens kan bezighouden. Hij gaat niet na of het tot de jongens spreekt of hen werkelijk goed doet. Het bespaart hem oneindig veel moeite.
Men loopt het gevaar dat men door militaire exercitie de individualiteit vernietigt, terwijl wij voor de verkenner juist het individuele karakter willen ontwikkelen. Wanneer de jongens eenmaal de exercities kennen, gaat het ze hen de keel uithangen en verlangen ze er naar iets te doen waar ze met hart en ziel in kunnen zijn. Ons doel is hen te vormen tot jonge woudlopers en niet tot namaak-soldaten" (Verkennen voor Jongens, Baden-Powell)
Men liep nog wel in marsformatie: in rijen en de leiding ernaast: schipper voor en stuurlieden achter. Onderweg stond een fotograaf op een ladder, die van iedere groep een foto maakte, die je later kon bestellen. Ook werden de groepen bekeken door controleurs, die in een competitie bepaalden hoe netjes men liep. Dat was voor Katwijk natuurlijk nooit netjes genoeg, dus hield men er officieel geen rekening mee, maar hoopte er stiekem toch wel op. De Dorus Rijkers is wel een enkele keer in de top drie geraakt.
 

Tegenwoordig kuiert iedereen iedereen gezellig door elkaar. De Katwijkse Zeeverkenners liepen mee vanaf de eerste St.-Jorismars in 1946, maar zijn daar eind jaren negentig mee opgehouden.